Wenen: het Prater

 

Het Prater. Mijn eerste gevoel betreft opluchting over de dood van mijn grootouders. Deze mensen, die op hoge leeftijd met rode konen en verrukt glimlachend ineens jeugdherinneringen ophaalden aan ‘wandelen met het kindermeisje in het Prater’, is dan in elk geval deze diepe belediging bespaard gebleven. De op het eerste gezicht oneindige hopeloosheid… In hun naam begeef ik me beschaamd het park in.

Voor wat gepaste woede hoef ik geen moeite te doen. De verschraling, het verdorde gras, de slecht onderhouden paden, de troosteloze toestand van de vegetatie die er nog wel is… Nog begin augustus, maar ook de longen van de Praterse kastanjebomen hebben het al opgegeven; de laatste bruin gerande bladeren aan de kale kruinen hangen er lusteloos hun tijd uit. De lange oostzijde van het Prater blijkt vakkundig verkracht door een onsamenhangende reeks goedkope, kolossale bouwsels van talentloze architecten, met elkaar verbonden door enorme vlaktes asfalt. Hotels, gemeentelijke gebouwen, de afzichtelijke Wiener Messe, talloze commerciële bijgebouwen van het voetbalstadion en zelfs een monsterlijke faculteit Economie hebben er beschroomd hun betonnen plaats op de natuur veroverd. Woedend voorovergebogen en in mijzelf mompelend als een echte Annie de Rooij rijd ik om de rest van het park heen over de Handelskai, die het Prater aan de oostzijde begrenst, samen met het spoor en de obligate sociale achterstandswijk.

Mijn bestemming is de achterzijde van het park, het Krieau, waar zich nog altijd de paardenrenbaan bevindt. Viktor, de broer van mijn grootvader die echt zo heet en de hoofdpersoon is in mijn boek, laat ik op de Rennbahn naar races kijken, wedden, gokken en flirten met vrouwen. Ik zeg ‘laat’, want ik weet niks over Viktor. En iedereen die iets van Viktor weet is dood, al denk ik wel eens dat hij ook bij leven slecht gekend is.

Van zijn bestaan getuigen enkele documenten. Zijn geboorteakte uit 1907, een verklaring van een psychoanalyticus die hem diagnosticeert met ‘pseudologia fantastica’, een vonnis van de Weense rechtbank die hem in 1939 veroordeelt wegens Rassenschande (de Joodse Viktor had een liefdesrelatie met de Arische Elise, een ernstig strafbaar feit, ook voor haar trouwens), een brief van Viktor vanuit de gevangenis aan zijn vader en een deportatiebevel met het stempel van de Gestapo, dat hem in 1942 naar zijn gruwelijke dood in Minsk zou voeren. Voor de rest moet ik het doen met mijn herinnering aan de weerstand van mijn grootouders om over hem te praten, het zuchten als zijn naam viel, hun irritatie en kennelijke verlegenheid met de hele situatie en het mogelijke familiegeheim dat schuilgaat achter mijn raadselachtige oudoom Viktor, de onbekende die mij, 2 generaties later, gek genoeg soms bekender voorkomt dan de andere dode familieleden – waarover trouwens wel voortdurend werd gesproken – al was het maar omdat hij de enige was met groene ogen, net als ik.

Aan de achterzijde van het park leidt een smalle toegangsweg me het Prater weer in. Een gelukzalige glimlach drukt mijn wangen tegen de randen van de helm. Hier is het Prater mijn grootouders waardig. De rust, de vogels, de dichte bebossing afgewisseld met heide en beekjes, en dan, als ik de hoek om sla, in de verte de renbaan, terwijl zich voor mij de pittoresk vervallen okerkleurige verblijfplaatsen met zware groene deuren en gietijzeren raampjes voor mensen en paarden ontvouwen. Hier is alles precies zoals het zijn moest. Hier waren mijn grootouders. Hier is Viktor.

< terug naar overzicht