Krakau 1995, March of the Living

In de bus naar Auschwitz zit ik bij het raam, als een oudere man naast mij plaats neemt. Zo onopvallend mogelijk neem ik hem van opzij op. Zijn gezicht is glad geschoren, met uitzondering van wat plukjes in de diepe groeven. Witte haren liggen als draden over de met levervlekken bezaaide schedel en over zijn donkere kraaloogjes hangt al een grijze waas. ‘Dit is mijn tweede keer’, zegt hij ineens in het Duits terwijl hij voor zich uit blijft kijken. ‘De eerste keer was 52 jaar geleden, niet in een bus maar in een treinwagon. Ik was twintig.’ Hij knikt een paar keer, alsof hij zijn eigen geschiedenis aan zichzelf bevestigt.
Vergeefs roer ik in mijn stroperige gedachten.
‘1943’, zeg ik tenslotte.
De man knikt voor zich uit. ‘Maar het líjkt gisteren. Dat doet ouderdom met je. Ben benieuwd of er veel is veranderd.’
Ook ik staar naar de rugleuning van de stoel voor me.
‘Ik ben altijd tapijthandelaar geweest,’ zegt de man. ‘De hele wereld reisde ik over. Tapistry is an international business.’
‘Allicht’, antwoord ik eveneens in het Engels.
‘De hele wereld,’ benadrukt de man nog eens. ‘Zelfs naar Duitsland. Maar nooit naar Polen.’
Ik knik instemmend. Alsof ik het begrijp. Alsof het überhaupt mogelijk is te begrijpen waar een mens de kracht vandaan haalt tapijthandelaar te worden nadat hij alles en iedereen die hij lief had verloor en zelf per ongeluk aan de moordmachine ontsnapte. ‘Daarom moet ik dit doen, ziet u. Ik wil mijn vrijheid heroveren. Ik wil me vrij voelen om tapijten naar Polen te brengen.’
Achteloos kondigt een blauw bord over 10 km de komst van het dorpje Óswięcim aan. We passeren een postkantoor, verspreide huizen, flats, een supermarkt. Een opa laat zijn hondje uit.
Ineens moet ik denken aan de stokoude oma van mijn moeder, die de oorlog overleefde en eenmaal in het veilige Nederland haar nek brak over een Perzische traploper.
‘Waarom tapijten?’, vraag ik me hardop af.
De oude man draait zich naar me toe en kijkt me verrast aan. Zijn kleine ogen twinkelen. ‘Hetzelfde vroeg ik ooit aan mijn vader, die net als zijn vader en zijn vaders vader in de tapijten zat.’
‘En? Wat zei hij?’
‘Hij zei: “Itschak, niets is ons volk zo nabij als het tapijt. Het Jodendom zélf is de vervlechting van een oneindige hoeveelheid inslagdraden met één onveranderlijke kettingdraad: die van ons verbond met G’d – en daarmee onze onderlinge verbondenheid. De kettingdraden zijn veerkrachtig en bieden weerstand aan zelfs de meest destructieve krachten. De inslagdraden zijn veelkleurig en bepalen het stramien.” ’
‘Mijn familiedraad stelt niet veel voor. Hij is dun en hij rafelt’, zucht ik.
De man glimlacht. ‘De betekenis van elke draad, dus ook de jouwe, wordt pas zichtbaar wanneer je je omdraait. Dan strekt zich een wonderschoon tapijt voor je uit met de prachtigste patronen, geweven van de unieke draden van onze voorouders.’
De bus komt tot stilstand en we stappen uit.
Ik voel me gedesoriënteerd. Op tien meter van de ingang van kamp-Auschwitz bevindt zich een autowasstraat, ertegenover een hamburgertent.
Ik kijk om me heen, maar de tapijtman is nergens te bekennen. En ook later, als ik me van Auschwitz naar Birkenau te voet laat meevoeren door de onafzienbare stroom mensen, zie ik hem niet meer, noch als een rabbijn op het podium zijn Hebreeuwse gebed uitgilt over Birkenau. De aanklacht, het ongeëvenaarde onrecht, het lijden – ze galmen over het terrein, bereiken ieder hoekje van Auschwitz, dringen door tot in de bakkerij van het dorp en de hardhorende oren van de opa met het hondje.
Maar of de tapijthandelaar ze heeft gehoord weet ik niet en ook het antwoord op de vraag of er ‘veel is veranderd in Auschwitz sinds 1943′ zal ik nooit kennen. Aan het eind van de dag, in de bus op de terugweg, blijft de stoel naast mij leeg.
Ik heb hem nooit meer gezien.

< terug naar overzicht